Gedichten
Losse vellen
Ik krabde benen, buik, gezicht.
Losse vellen, losse vellen.
Jeuk van een oud leven.
Ik leefde het lang genoeg.
Losse vellen, losse vellen.
Ik trok ze weg in lange repen,
fijne flinters.
Stoom uit mijn oren
voor het losweken van een hardnekkige oude ik.
Ik was het lang genoeg.
Ik krabde benen, buik, gezicht.
Vond glanzend, vond nieuw,
vond o zo teer,
kwetsbaar.
Losse vellen, losse vellen,
niet langer losse vellen.
Ik streel benen, buik, gezicht.
Een nieuwe ik.
Ik leef nog lang genoeg.

Huppeltje
Vandaag haalde ik mijn schouders uit mijn oren,
de deurdrangers uit mijn kaak.
Diep in mijn kast vond ik een oud huppeltje
wat me nog prima bleek te passen.
Ik stond voor de spiegel en keek mezelf diep in de ogen.
Hé schoonheid, heb je zin in een dansje met mij?
Ik gaf me de hand en leidde me de kamer rond.
Huppelde mezelf alle hoeken langs
tot we gierend van het lachen niet meer verder konden.
Mijn schuddende buik liet stofjes opdwarrelen
en verpulverde harde korsten aangekoekte meningen
tot er niets meer aan me kleefde.
Vandaag haalde ik mijn schouders uit mijn oren,
de deurdrangers uit mijn kaak
en huppelde mezelf de vrolijkheid in.

Op tafel
Mijn been ligt op tafel.
Mijn beide blote benen liggen op tafel.
Net als mijn billen, mijn rug, mijn hoofd.
Eigenlijk lig ik helemaal op tafel.
Bloot.
‘Au naturel’
De tafel is groot – ik pas
er gemakkelijk op –
maar hard.
Nergens een plekje waarin een
vrouwelijke ronding kan wegzakken.
Het is koud, dat ook.
De tafel, de kamer, mijn tenen.
Ik heb geen idee wanneer je thuiskomt.
Over 5 minuten? 10 minuten?
Een half uur?
Net leek dit een leuk plan,
nu slaat de twijfel toe.
Een voorbijganger klopt op het raam,
vraagt waarom we geen gordijnen hebben.
Och, ik weet het ook allemaal niet meer.

Telefoon
Ik bel de dichter.
“Ja hallo, met mij.
Kun jij misschien iets voor me schrijven?”
De dichter zegt:
“Tuut, tuut, tuut.
Deze dichter is in gesprek.”
Ik hang op en zucht.
Ik moet ook alles zelf doen!